Solozeilen

Maart 2004

Notie vooraf:

Ik beschrijf hieronder een stukje van mijn wederwaardigheden tijdens een solozeiltocht buiten het seizoen. Het was boeiend en een belevenis van zodanige aard dat ik hier niet een pleidooi wil afsteken ten gunste van het solozeilen. De lezer haalt er maar uit wat hem of haar goeddunkt. Voor mij was het in ieder geval een leerzame tocht, waarvan ik hoop dat ik ooit eens het geleerde kan onthouden en in praktijk brengen. Om dat te bereiken ben ik wel gedwongen om heel vaak solo te zeilen.

Het afgelopen winterseizoen heb ik mijn hart opgehaald aan solozeilen op het IJsselmeer. Dat is fijn: buiten het seizoen zie je geen levende ziel op het water, behalve beroepsvaarders. Alle ruimte en gelegenheid om de dingen alleen te (leren) doen. Soms kan je een gevoel van eenzaamheid bekruipen, maar dat vind ik wel “wat hebben”. Daar doe ik het dus ook voor. Sommigen zullen me wel voor gek verslijten. Het is dan ook niet zonder risico’s. Om te beginnen is de steiger, waarover ik moet lopen om mijn schip te bereiken, in deze tijd meestal groen en derhalve spiegelglad. Ik loop altijd erg voorzichtig naar mijn boot. Mijn schip ligt in maart een paar weken in de box zonder buren in de drie of vier aan weerskanten grenzende boxen, dat voelt erg kaal aan bij het opstappen. Maar dat is natuurlijk psychisch. Eigenlijk is het alleen maar voordelig als er niemand naast je ligt: als je bij het uitglijden te water raakt loop je minder kans gewond te raken; je kunt hooguit met je harses op je eigen anker vallen. Je kunt ook niemand beschadigen bij het in en uitvaren. Ik krijg het komend seizoen een nieuwe buurman. Dat wil zeggen zijn schip is nieuw. Het mijne niet meer; een robuust, ruw aluminium schip. Volgens Bart was er sprake van dat ik naar een andere box zou moeten omdat ik (de boot) te smal ben. Gelukkig stelde hij mij meteen gerust: het gaat niet door en ik mag tot het einde der tijden in deze box blijven. Peinzend vroeg ik me al af hoe dat dan had gemoeten: het is nu al zo dat ik bij het invaren van links naar rechts stuiter door die ..otenpalen! Ik vermoed dat ze een box voor me wilden uitzoeken waar ik mij bij wijze van opvangsysteem klem in moet varen, waarna Peter Prins mij dan met “Ons Probleem” zachtjes schurend langs de palen naar binnen duwt. Maar goed, het gaat dus over solozeilen. De enkeling op de steiger, die mij bezig zag met de landvasten, vroeg bezorgd of ik wel voorbij de pier kon komen. Als de motor het doet wel, antwoordde ik. Maar dat bedoelde ’n ie niet, geloof ik. Het lauwe bier gestouwd (de koelkast hoefde niet aan), één schone onderbroek , één schone zakdoek en één paar schone sokken mét de boterhammetjes in de kast en we konden los. Dat gaat dus heel goed, zo zonder buren. Wel vervelend dat de kont altijd naar bakboord wegdraait als ik achteruit stuurboord uit stuur. Het weer is rustig, grauw, niet te veel wind (plusminus 3 Beaufort) maar wel droog, bij een temperatuur van 5 graden Celsius. Eenmaal de sloot uit: de wijde ruimte tegemoet. Helemaal voor mij alleen. Wat zullen we doen: naar Lelystad of naar Enkhuizen? De wind komt uit Zuidwest en ik wil niet beginnen met een voordewinds rak. Naar Lelystad dus. Eens kijken hoe Bataviahaven er bij ligt en in dat klerenwinkelcentrum kijken wat ik allemaal niet ga kopen. Optuigen maar. De boot in de wind leggen. Gauw naar voren om het grootzeil te hijsen. Shit, de rits van het maindropsystem zit nog dicht. Ondertussen, als ik na het openritsen, struikelend over de onder mijn voeten wegrollende stagfokschoot, weer terug ben bij de mast, is de boeg weer van de wind afgewaaid. Ik probeer toch nog gauw het grootzeil tussen de lazy jacks naar boven te scheuren. Maar daardoor komt de tweede zeillat aan de lij kant van de lazyjack klem. Dat klereding! Ik besluit de lazyjack helemaal naar beneden te laten komen. Ik vergeet daarbij echter het grootzeilval te beleggen met als gevolg dat het grootzeil in volle glorie naar beneden komt en van de giek af op het kajuitdak en de buiskap dondert. Poddorie! Het schip ligt nu dwars op de wind. Eerst maar even naar de stuurstand en het autohelmpje aansluiten. Die ligt nog binnen. In welk kastje had ik hem vorig jaar ook alweer opgeborgen? Als ik hem vind blijkt het hefboompje op de aandrijfunit, waarmee je de riem om het stuurwiel aanspant, op nog ongeveer tien minuten zoekafstand in een ander kastje te liggen. In de opwinding stoot ik tijdens mijn zoektocht meermalen mijn harses tegen de onderkant van de kaartentafel en tegen het dak ter hoogte van het afstapje naar het lagere deel van de kajuit. Eenmaal de onderdelen verzameld en aan dek gekomen blijkt de Wing IV weer af te stevenen, met zwiepende giek, op het havenhoofd van Edam, als onderdeel van de stationaire cirkel waarin wij nu koersen, nadat ik het roer had vastgezet alvorens ik autohelmpje ging zoeken. Ik was vergeten dat mijn schip door de rechtsdraaiende schroef bij vastgezet roer onmiddellijk bakboord uit gaat, #$%PVD%GJ*%$$sjitY#!!! Maar nu gaat het toch lukken, hoor. Als na nog eens tien minuten (autohelmpje wordt wat oud en stuurt niet meer zo goed, net als zijn baasje) de boot op koers is gebracht, zodanig dat de giek binnenboord blijft bij het hijsen, staat het grootzeil in een wip (!). Vergenoegd kijk ik in het rond: wat gaan we nu doen? Podsamme, de hoezen zitten nog op de rolgenua en de stagfok! Het is nog een hele klus om op een wiebelend schip die dingen naar beneden te trekken, vooral die grote voorste. De hoezenval (hiermee heb ik een nieuwe term uitgevonden, geloof ik) van de stagfok slaat tijdens het naar beneden trekken bovenin op een of andere manier vast. Tenminste, dat denk ik, ik sta een hele tijd als een kippige drol naar boven te staren om te zien wat er loos is. Nou niks dus. Als ik mijn nek weer, met een knak, strek, zie ik dat de bewuste lijn met een soort achtknoop zichzelf spontaan op een kikker op de mast heeft belegd. No problem! In een kluwen verdwijnen de blauwe lappen door het voorste luik, dat van buitenaf kan worden opengemaakt, als tenminste dat luik niet binnen vergrendeld is! Dus: hop, eerst naar binnen maar weer, daarna weer naar buiten, luik open, hoezen d’r in pleuren, weer naar binnen, hoezen opruimen, enz. enz. Het zweet gutst over mijn rug. Hé Hé, eindelijk kunnen de “fokken” er op! Na mij tussentijds ervan te hebben vergewist dat wij ons nog wel degelijk min of meer in de richting van Lelystad begeven, ga ik verder met mijn werk. De reeflijnen, die keurig opgeslagen aan de railingdraden hangen, maak ik los en leg ze op de kajuitbanken. Voordat ik de schoten aanhaal moet ik nog even terug naar de mast om de lierhandel uit de grootzeilvallier te halen, anders gaat ie overboord. Ik heb hem trouwens nodig. Terug in de kuip worden de schoten om de diverse schootlieren gelegd en trekken maar aan die touwen! Ja Ja! De reeflijn van de grote fokroller slaat daarbij direct en voortijdig vast in het eerste blokje aan de scepter. Het lijkt wel de Gordiaanse knoop, die ik toch maar niet doorhak (ik moet onthouden dat ik nog eens een scherp mes koop). Na wat geknoei is de knoop los en verwacht ik dat de genua spontaan verder uitloopt. Helaas, dit nu gebeurt dus niet. Waarom kijk ik hier niet van op? Potverdikkie, weer naar voren! Daar aangekomen blijkt het hoezenval van dit zeil bovenin één keer te veel om het stag te zijn geslagen. Dit moet zijn gebeurd toen ik na het strijken van de hoes, van het voorstag naar de mast liep om het val onder op de mast te beleggen. Ik heb nooit naar boven gekeken om te zien of ik dit val links of rechts van het stag moest geleiden. De moed begon mij in de schoenen te zinken. Temeer daar wij ondertussen, voor mijn gevoel althans, al zowat halverwege Lelystad moesten zijn. Eindelijk staat dan de boel op en zeilen we lekker. Nu de zeilen staan, stuurt het schip zichzelf en kan ik het ook (niet te lang) aan zichzelf overlaten. Het is hoog tijd om op adem te komen (ik heb het er warm van!!) en een kopje koffie te zetten. Voort gaat het, voort! Ik zet de spullen klaar op het aanrecht: een mok, koffiemelk erin, beetje suiker, filter erop, koffie in het filter. Vervolgens pak ik de ketel en boven het gootsteentje vul ik die uit het 5 liter tankje. Terwijl ik dat doe (ketel in de linkerhand en tankje in de rechter) doet een vlaagje het schip enigszins overhellen naar bakboord en vastberaden duikt mijn mok links van mij, horizontaal en mét de hiervoor beschreven ingrediënten, het openstaande keukenkastje naast het aanrecht in. Podgloeiende; blijft mij dan niets bespaard?! Mismoedig kijk ik naar het cardanisch opgehangen fornuis naast het aanrecht, met daarop de (lege) pan die bestemd is voor zulke doeleinden als het omvatten van mokken en filters tijdens het zeilen, opdat die vredig en rechtop heen en weer kunnen slingeren . Ik vreet een appel en een banaan (die had ik ook meegenomen) en ga weer naar buiten. De PTT toren van Lelystad neemt steeds duidelijker vorm aan. Er zijn geen gevaren aan de horizon; zowel uit de richting Lelystad als vanuit Amsterdam is er geen binnenvaartschip te ontwaren. Om warm te blijven, bezig te zijn en een opkomende manische depressie te onderdrukken, besluit ik de windvaanstuurinrichting in werking te stellen, hoofdzakelijk om te oefenen (ik oefen al sinds de aanschaf in 1999). De ingebruikname van de Windpilot is verbluffend eenvoudig: je klemt de vaan er op, laat het pendulum in het water zakken, de snaphaken op de pendulumring, de snaphaakjes van de stuurlijnen op de snaphaakjes van de lijnen om de drum aan het stuurwiel en klaar is Kees; een kind kan de was doen! Het probleem is echter dat ik geen kind meer ben en mijn vrouw altijd de was doet! Want wat wil nou het geval? De stuurlijnen lopen via dubbele blokjes in de hoeken van de hekstoel via de bakboord spinnakerlier naar het stuurwiel. Om de snap-haakjes van de stuurlijnen op de snaphaakjes aan de lijn om de drum aan elkaar te haken, moet enige (trek)kracht worden uitgeoefend. Omdat ik dat weet en ik mijn RSI armpjes niet overmatig wil belasten wil ik het in één keer goed doen en, “in doing so”, ram ik in één ferme beweging met mijn linkerKL….AAAUWWW !! tegen de bepaald niet meegevende lichtmetalen drum op het stuurwiel. Een en ander omdat ik was vergeten aan het andere uiteinde één van de grote snaphaken eerst op de pendulumring te zetten. Met natte ogen en een slappe linkervleugel zijg ik als verlamd op de achterbank ineen. Dit was de spreekwoordelijke druppel.

dsc01727 Stukje toe:

Ik besloot mijzelve niet meer te verroeren totdat de zeilen weggedraaid en/of omlaag moesten, waar ik overigens om inmiddels voor de hand liggende redenen erg tegen opzag. Ik kan mij verder niet herinneren of zich onderweg nog meer calamiteiten voordeden vooraleer wij in Bataviahaven aankwamen. Of is hier sprake van verdringing? Bataviahaven, een vooralsnog sfeerloos hoefijzer van beton; ik heb er wel eens eerder gelegen, maar dan met bemanning. Deze keer moest ik echter zelf op de kant stappen met twee landvasten tegelijk in de hand. Twee vervelende complicaties doen zich hierbij voor. De eerste: de bolders staan zover uit elkaar dat, voordat je de achterkant hebt vastgemaakt, bij aflandige wind de voorkant alweer het ruime sop heeft gekozen, of omgekeerd. Uiteraard was nu sprake van aflandige wind. De tweede: de kade waar je aan moet liggen is wel zo onvoorstelbaar massief ondergescheten door de meeuwen dat een ieder zich wel kan voorstellen wat er gebeurt als je je schrap zet om je 10 ton aluminium weer “bij de kant” te halen!!

Zucht: morgen moet ik weer terug ook!!

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s